Een duurzaam mobiliteitssysteem hangt af van hoe effectief overheden, vervoersaanbieders en reizigers samenwerken. Dit vereist het afstemmen van doelstellingen, het beheersen van onzekerheid en het waarborgen van participatie. Van het verminderen van emissies tot het introduceren van innovatieve alternatieven voor het gebruik van auto’s: een betere coördinatie en wederzijds begrip tussen belanghebbenden zijn essentieel voor een succesvolle mobiliteitstransitie. Dat is een belangrijke bevinding van On The Move, een onderzoeksinitiatief van de Radboud Universiteit en de Technische Universiteit Delft.
’Wanneer beleidsmakers een ambitie op het gebied van mobiliteit willen formuleren, stellen ze vaak zeer brede doelen, zoals een focus op "verantwoorde en duurzame mobiliteit"’, legt Vincent Marchau, hoogleraar aan de Radboud Universiteit, uit. "Maar als er veel partijen bij betrokken zijn, kunnen ze allemaal een andere visie hebben op hoe dat daadwerkelijk te bereiken. In ons project hebben we ons gericht op het operationeel maken van die visie. In een casus over buurtverandering hebben we bijvoorbeeld alle relevante details besproken, van het aantal deelauto’s tot parkeernormen voor elke betrokken buurt.’
’Alleen als je deze kwesties met alle betrokken partijen bespreekt, komen verschillen naar voren, maar kun je iedereen samenbrengen rond een visie die specifiek, meetbaar en robuust is tegen toekomstige ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit’, voegt Peraphan Jittrapirom toe, universitair docent aan de Radboud Universiteit en ook betrokken bij On The Move.
Rob van der Heijden, hoogleraar aan de Radboud Universiteit en projectleider, benadrukt twee overkoepelende conclusies. ’Ten eerste hebben we een speciale ondersteunende methodologische toolkit en training van alle beleidsmakers nodig om hen bij het proces te betrekken en tot samenwerking te bewegen. Ten tweede zijn er nieuwe institutionele ontwerpen nodig die betere voorwaarden creëren voor besluitvormers om (diepe) onzekerheid met betrekking tot transportinnovatie te begrijpen en te beheersen. De traditionele benadering, waarbij onzekerheid wordt gezien als een risico dat tot een minimum moet worden beperkt, kan de kansen voor deze innovaties om op te schalen en aantrekkelijke, duurzame vervoersopties te worden, belemmeren.’
Frictie verminderen
Als onderdeel van het project onderzochten de onderzoekers ook wat mensen ertoe bracht om innovaties zoals ’Mobility as a Service (MaaS)’ (het gebruik van digitale platforms voor toegang tot deelauto’s en -fietsen, openbaar vervoer en andere vormen van mobiliteit) te omarmen. Ze ontdekten dat het hebben van de nieuwste functies misschien niet het belangrijkste is voor gebruikers, maar dat sociale normen en beleidsmaatregelen de acceptatie veel sterker bevorderen.
Marchau: ’Door autovrije zones toe te voegen aan nieuwe wijken werd het voor mensen in die wijk bijvoorbeeld veel socialer aanvaardbaar om naar MaaS-opties te kijken. En voor zakenreizigers ontdekten we dat de integratie van gedeelde mobiliteitssystemen met een soepele vergoeding door de werkgever de drempel aanzienlijk verlaagde. Omdat ze geen extra formulieren hoefden in te vullen, maar het geld automatisch terugkregen, waren mensen veel eerder geneigd om er gebruik van te maken.’
Feedback: meer dan een vinkje
Als onderdeel van het mobiliteitsbeleid vragen overheden burgers vaak om mee te denken en feedback te geven op nieuwe plannen. De onderzoekers ontdekten echter dat dit te vaak werd gezien als niet meer dan een vinkje. Gerdien de Vries, een van de hoogleraren betrokken bij het project vanuit de Technische Universiteit Delft: ’Er waren grote inconsistenties tussen participatiemethoden, doelstellingen en resultaten. Mensen delen hun mening, maar het is onduidelijk wat er met die feedback gebeurt. Participatie moet meer zijn dan symbolisch.’
Om de lessen uit hun project succesvol te implementeren, moedigen de onderzoekers beleidsmakers aan om duurzame mobiliteit als een systemisch probleem te benaderen: niet alleen meer wegen en openbaar vervoer, maar ook integratie in discussies over huisvesting, energie en sociale ondersteuning. ’Deze lessen wijzen op concrete acties: professionals opleiden in adaptieve planning, bestuursstructuren ontwerpen die samenwerking belonen en burgers betrekken op manieren die daadwerkelijk invloed hebben op de resultaten,’ concludeert Peraphan. ’Als we dat doen, wordt duurzame mobiliteit haalbaar: niet als een ver ideaal, maar als een gedeelde, zich ontwikkelende realiteit.’
On The Move stond onder leiding van onderzoekers van de Radboud Universiteit en de Technische Universiteit Delft. Het werd gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, ProRail, de provincie Gelderland en de gemeente Den Haag. Een uitgebreidere samenvatting van het project is te vinden op de website van On The Move en in de onderstaande video.